Het artikel van Arjo Klamer in het NRC dateert van 3 november met bovenstaande titel. Maar dat maakt het niet minder interessant. Het speelt al geruime tijd, de subsidiegelden worden minder, wie heeft er recht op, wie vinden dat een instantie er recht op heeft en waarom?
‘Hoe houdbaar is het systeem van de subsidiëring van de kunsten?’
Het systeem is onhoudbaar en de marktwerking zal steeds meer en verder zijn intrede doen in de kunsten. Voorbeeld hiervan is de 20% die culturele instanties uit publieke gelden moeten halen. Dit percentage staat in schil contrast tot de hoge percentages waar instellingen in bijvoorbeeld Engeland aan moeten voldoen. Daarnaast is er gewoon weg heel erg veel, geen enkel land ter wereld heeft meer musea per vierkante meter dan Nederland. Verder zal de sector beter kunnen innoveren door beter naar de markt te kijken in plaats van in de ivoren toren te vertoeven met een voorstelling of een depot aan kunst.
‘Kwantitatieve beoordelingen zullen kwalitatieve beoordelingen verdringen.’
De afgelopen jaren is er wel een verschuiving te zien, zoals de publiekstrekkers die musea neerzetten. Maar wat zal het gemiddelde publiek zien als kwalitatief hoogwaardig? Is dat een werk van Caravaggio of liever iets van Herman Brood? Weet een museum eigenlijk wel waarvoor het publiek zou willen komen? Ik ben voor een tentoonstelling in een museum die gerealiseerd is door het publiek!





